Arbeidskenmerken als risicofactor voor verzuim
Meer ziekteverzuim bij een hoge werkdruk
Werknemers binnen zorg en welzijn ervaren vaker een hoge werkdruk dan werknemers in andere bedrijfstakken: in 2024 geeft 35,6 procent aan vaak of altijd een hoge werkdruk te ervaren ten opzichte van 30,9 procent in de andere bedrijfstakken. Onder een hoge werkdruk worden taakeisen verstaan, namelijk dat werknemers snel moeten werken, heel veel werk moeten doen of extra hard moeten werken.
Het ziekteverzuim is hoger onder werknemers die regelmatig een hoge werkdruk ervaren. Gemiddeld in de periode 2014/2024 lag het verzuimpercentage in zorg en welzijn op 7,1 procent voor werknemers die vaak of altijd een hoge werkdruk ervaren, tegenover 5,5 procent onder degenen die dit niet of nauwelijks ervaren. In andere bedrijfstakken lag het verzuim onder deze groepen respectievelijk op 4,8 en 3,7 procent. Een hoge werkdruk hangt samen met zowel een hoger aandeel werknemers dat zich ziekmeldt, als met een langere duur van het verzuim.
Het aandeel werknemers dat vaak of altijd een hoge werkdruk ervaarde in 2024 was het hoogste in ziekenhuizen en overige medisch specialistische zorg (44,2 procent) gevolgd door universitaire medische centra (UMC’s) (42 procent) en huisartsen en gezondheidscentra (40,6 procent). Dit aandeel was relatief laag in de gehandicaptenzorg (33 procent).
Ook de sterkte van de samenhang tussen werkdruk en ziekteverzuimpercentage verschilt per branche. In de periode 2014/2024 werd in de jeugdzorg het grootste verschil in ziekteverzuimpercentages gemeten tussen werknemers die vaak of altijd een hoge werkdruk ervaren en degenen die dit niet of nauwelijks ervaren (8,9 procent tegenover 5,7 procent). Daartegenover waren er nauwelijks verschillen tussen deze groepen in de geestelijke gezondheidszorg (6,2 procent tegenover 6,6 procent).
Figuur 8. Ziekteverzuimpercentage werknemers naar werkdruk, 15 tot 75 jaar, 2014 tot en met 2024
Bron: CBS, TNO (NEA)
Minder ziekteverzuim bij meer autonomie
Meer autonomie tijdens het werk hangt samen met een lager ziekteverzuimpercentage. Onder autonomie wordt verstaan: zelfstandig beslissingen nemen, de volgorde en het tempo van werkzaamheden bepalen, zelf oplossingen bedenken, verlof kunnen opnemen, eigen werktijden bepalen en de eigen werkplek kiezen. In 2024 gaf 46,3 procent van de werknemers in zorg en welzijn aan regelmatig autonomie in het werk te ervaren, tegenover 60,3 procent in andere bedrijfstakken.
Binnen zorg en welzijn bedroeg het ziekteverzuimpercentage onder werknemers die regelmatig autonomie ervaren gemiddeld 5,3 procent in de periode 2014/2024. Onder werknemers die dit nooit of soms ervaren, lag het verzuim hoger op 6,7 procent. In andere bedrijfstakken is een vergelijkbaar verschil zichtbaar. Hoewel het percentage dat zich ziekmeldt wel samenhang met de mate van autonomie, geldt dat niet voor de duur van het verzuim.
Tussen de zorg en welzijn branches verschilt het aandeel werknemers dat nooit of soms autonomie ervaart sterk. Zo was dit aandeel in 2024 het hoogste binnen de kinderopvang (67,9 procent), ziekenhuizen en overige medisch specialistische zorg (65,1 procent) en huisartsen en gezondheidscentra (60,7 procent). In de geestelijke gezondheidszorg was het aandeel werknemers dat nooit of soms autonomie ervaarde in 2024 het laagste (37,2 procent).
Ook in de verschillende branches wordt een samenhang tussen autonomie en ziekteverzuim gezien. In de periode 2014/2024 was het grootste verschil in ziekteverzuimpercentages tussen werknemers die nooit of soms autonomie ervaren en degenen die dit regelmatig ervaren, bij de huisartsen en gezondheidscentra (5,7 procent tegenover 3,5 procent), gehandicaptenzorg (8,1 procent tegenover 6,2 procent) en jeugdzorg (8,2 procent tegenover 6,4 procent).
Figuur 9. Ziekteverzuimpercentage werknemers naar autonomie, 15 tot 75 jaar, 2014 tot en met 2024
Bron: CBS, TNO (NEA)
Meer verzuim bij zwaar lichamelijk werk
Lichamelijk zwaar werk hangt samen met meer ziekteverzuim. Of iemand zwaar lichamelijk werk doet is onder meer gemeten met de frequentie waarmee mensen veel kracht moeten zetten, de houding waarin ze moeten werken en de mate waarin ze steeds herhalende bewegingen moeten maken. In 2024 gaf 43,2 procent van de werknemers in zorg en welzijn aan regelmatig zwaar lichamelijk werk te verrichten, tegenover 36,1 procent in andere bedrijfstakken. Werknemers in zorg en welzijn die regelmatig zwaar werk verrichten, hadden in de periode 2014/2024 een gemiddeld ziekteverzuimpercentage van 7,1. Onder werknemers die nooit of soms lichamelijk zwaar werk was het verzuim lager, namelijk 5,3 procent. Zwaar werk hangt daarbij samen met zowel een groter aandeel werknemers met verzuim als met een langere duur van het verzuim. De verschillen in ziekteverzuim tussen werknemers met en zonder zwaar werk zijn in zorg en welzijn vergelijkbaar met die in andere bedrijfstakken.
In 2024 was het aandeel werknemers dat regelmatig lichamelijk zwaar werk verrichtte het hoogste in de branche verpleging, verzorging en thuiszorg (58,6 procent) gevolgd door ziekenhuizen en overige medisch specialistische zorg (50,2 procent) en kinderopvang (48,2 procent). In de universitaire medische centra (UMC’s) en de gehandicaptenzorg was dit een stuk lager (respectievelijk 37,1 procent en 37,0 procent).
De samenhang tussen ziekteverzuim en zwaar lichamelijk werk verschilde ook tussen de zorg en welzijn branches. Zo werden in 2014/2024 de grootste verschillen in ziekteverzuimpercentages gezien tussen werknemers met en zonder lichamelijk zwaar werk in de huisartsen en gezondheidscentra (7,6 tegenover 3,9) en verpleging, verzorging en thuiszorg (7,6 tegenover 5,1). In de jeugdzorg werden er juist geen verschillen in ziekteverzuimpercentages tussen de groepen waargenomen.
Figuur 10. Ziekteverzuimpercentage werknemers naar lichamelijk zwaar werk, 15 tot 75 jaar, 2014 tot en met 2024
Meer verzuim bij hogere kans op besmetting
Werknemers in zorg en welzijn lopen vaker kans op besmetting tijdens werkzaamheden dan werknemers in andere bedrijfstakken. In 2024 gaf 84,6 procent van de werknemers in deze bedrijfstak aan risico te lopen op besmetting, tegenover 36,8 procent in andere bedrijfstakken.
Binnen zorg en welzijn ging een hogere kans op besmetting gepaard met meer ziekteverzuim. In de periode 2022/2024 lag het ziekteverzuimpercentage gemiddeld op 7,2 onder werknemers met een hoge kans op besmetting, tegenover 5,0 bij werknemers met een lage kans. Niet onverwacht hangt dit verschil samen met een groter aandeel werknemers dat verzuimt en niet met een langere verzuimduur. Een vergelijkbaar verband tussen besmettingsrisico en ziekteverzuim is ook zichtbaar in andere bedrijfstakken. Vanwege de beperkte periode waarover deze data beschikbaar zijn, kunnen we hierin geen onderscheid maken naar branches binnen zorg en welzijn.
Overige arbeidskenmerken en verzuim
Naast de eerder besproken factoren zoals werkdruk, autonomie, lichamelijk zwaar werk en besmettingsrisico, hangen ook andere arbeidskenmerken samen met ziekteverzuim. De onderstaande kenmerken vormen een beperkte selectie en geven geen uitputtend beeld van alle factoren die mogelijk een rol spelen.
Werktijden laten slechts in beperkte mate een verband zien met verzuim. Werknemers die in de avond of nacht werken hebben geen hoger ziekteverzuim dan werknemers die dit niet doen. Werknemers met een grotere contractomvang melden zich gemiddeld iets vaker ziek, maar verzuimen doorgaans korter. Bij regelmatig overwerk ligt het net iets anders: het aandeel werknemers met verzuim is iets lager, en ook de verzuimduur is korter. Verder ligt het ziekteverzuim hoger onder werknemers in vaste dienst en onder werknemers in grotere organisaties. In deze groepen is zowel het aandeel met verzuim als de gemiddelde duur van het verzuim hoger. Tot slot is het ziekteverzuim lager onder werknemers die voornamelijk beeldschermwerk verrichten, zowel in aandeel als in duur.
Ziekteverzuim houdt deels verband met persoonskenmerken en arbeidskenmerken
De combinatie van de onderzochte persoonskenmerken (inclusief ervaren gezondheid) en arbeidskenmerken hangt sterker samen met het ziekteverzuim in zorg en welzijn dan persoonskenmerken alleen. In het model voor het aandeel werknemers met verzuim in deze bedrijfstak stijgt de verklaarde variantie van 7 naar 8 procent bij opname van arbeidskenmerken. Voor de verzuimduur loopt deze op van 11 naar 12 procent.
Hoewel de bedrijfstak zorg en welzijn ook in het volledige model een significant hoger ziekteverzuim laat zien, neemt het verschil ten opzichte van andere bedrijfstakken af als rekening wordt gehouden met de onderzochte persoonskenmerken en arbeidskenmerken. Het hogere ziekteverzuim in zorg en welzijn houdt daarmee deels, maar niet volledig, verband met de besproken factoren. Ook verschillen in ziekteverzuim tussen branches hangen maar deels samen met verschillen in de opgenomen persoonskenmerken en arbeidskenmerken. Dat betekent dat er nog overige factoren een rol spelen bij ziekteverzuim die mogelijk branchespecifiek zijn.
Conclusie
Het ziekteverzuim in zorg en welzijn ligt hoger dan in andere bedrijfstakken. Een deel van dit verschil hangt samen met de kenmerken van de werknemers in deze bedrijfstak: er werken relatief veel vrouwen en (iets meer) ouderen, groepen die gemiddeld vaker en langer verzuimen. Niet onverwacht hebben werknemers met een mindere ervaren gezondheid ook vaker en langer ziekteverzuim. Daarnaast hangen verschillende arbeidskenmerken samen met verzuim. Een hoge werkdruk, lichamelijk zwaar werk en beperkte autonomie zijn arbeidskenmerken die vaker voorkomen in zorg en welzijn en in het algemeen gepaard gaan met frequenter en langer verzuim. Blootstelling aan besmetting, dat in de zorg veel voorkomt, hangt samen met vaker verzuim maar niet met langdurig verzuim. Wanneer rekening wordt gehouden met alle onderzochte persoonskenmerken en arbeidskenmerken, blijft het ziekteverzuim in zorg en welzijn toch nog hoger dan in andere bedrijfstakken. Dit betekent dat er nog andere (beïnvloedbare en minder beïnvloedbare) factoren een rol spelen bij het verschil in verzuim tussen zorg en welzijn en andere bedrijfstakken
Hetzelfde geldt voor verschillen in verzuim tussen branches binnen zorg en welzijn. Zo komen in sommige branches bepaalde fysieke en mentaal belastende arbeidskenmerken meer voor en verschilt de samenhang van deze arbeidskenmerken en het ziekteverzuimpercentage ook tussen de branches.
Samengevat hangt ziekteverzuim in zorg en welzijn samen met een combinatie van persoonskenmerken en arbeidskenmerken. Wel zijn er verschillen tussen branches, wat de diversiteit binnen de bedrijfstak onderstreept. Tegelijk houdt een deel van het verzuim geen verband met de onderzochte factoren.