Administratieve rompslomp
‘Administratief hebben we ook een duidelijke les geleerd’, vertelt Gröne open. In de eerste ronde van het project moesten praktijken namelijk zelf de activiteiten declareren waar ze aan hadden deelgenomen. Die ‘administratieve rompslomp’ zorgde voor extra werk waar de soms overbelaste praktijken natuurlijk niet op zaten te wachten. Gröne: ‘De subsidieadministratie was sowieso al tijdrovend. Een externe partij (WeCreate) ondersteunde ons bij de subsidieadministratie en zorgde ervoor dat alle voorwaarden correct werden gedocumenteerd. Daarnaast was er een complexe declaratieprocedure voor huisartsenpraktijken ontstaan. Dat was natuurlijk niet wenselijk.’ Gröne heeft daar meteen werk van gemaakt: ‘Bij het maatwerkprogramma in de tweede ronde hebben we dat anders gedaan. We hebben toen geregeld dat de aanbieders van trainingen en activiteiten declareerden, niet de huisartsenpraktijken. De aanbieders hielden zelf bij door welke praktijk zij voor hoeveel activiteiten werden ingezet. En dat declareerden ze bij het SSFH-project.’
Tijd voor duurzame inzetbaarheid
Uiteindelijk zijn er 200 vouchers verstrekt aan huisartsenpraktijken, waarvan er 164 daadwerkelijk zijn benut. Dat is 80 procent van het toegekende bedrag. ‘We zijn echt tevreden met die score,’ zegt Gröne. ‘Er zijn ongeveer 65 vouchers ingezet voor interventies om ongewenst gedrag te verminderen en 130 om werkdruk te verlichten, zoals gesprekskaarten en workshops.’ Diverse aanbieders verzorgden de workshops en ondersteunden praktijken bij het invullen van de maatwerkprogramma’s. ‘In de evaluatie lieten huisartsenpraktijken weten dat de vouchers nuttig zijn geweest en hen hielpen tijd vrij te maken voor duurzame inzetbaarheid.’
Groot bereik
Degenen bereiken die er baat bij hebben. Dat was ook een belangrijke opdracht voor Gröne. Via diverse kanalen en partners werd intensief gecommuniceerd over het project, bijvoorbeeld via de website en het LinkedIn-account van SSFH en via een nieuwsbrief aan de ongeveer 4.000 SSFH-leden. Gröne: ‘We hadden ook een goede samenwerking met de brancheorganisaties Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), de brancheorganisatie voor instellingen in de eerstelijnszorg (InEen), de Nederlandse Vereniging van Praktijkondersteuners en praktijkverpleegkundigen (NVvPO) en de Nederlandse Vereniging van Doktersassistenten (NVDA). Zo konden we het project en de boodschap over duurzame inzetbaarheid breed verspreiden en bereikten we ook via hun achterban veel huisartsenpraktijken.’ Ook de aanbieders van trainingen benaderden zelf huisartsenpraktijken uit hun netwerk.
Werkdruk en ongewenst gedrag zijn beter bespreekbaar geworden