De interne arbeidsmarkt van zorg en welzijn in beeld - Hoe werknemers tussen branches bewegen en welke rol leeftijd speelt

29 september 2026 • Longread

Werknemers bewegen binnen zorg en welzijn voortdurend tussen branches. Over een periode van elf jaar zijn duidelijke patronen zichtbaar: sommige branches ontvangen structureel vaker personeel uit andere branches, terwijl andere juist vaker medewerkers leveren. Ook leeftijd maakt verschil in de richting van deze personeelsstromen.

Wie de arbeidsmarkt van zorg en welzijn wil begrijpen, moet daarom niet alleen kijken naar instroom in en uitstroom uit de sector, maar ook naar de bewegingen daarbinnen. Werknemers stappen bijvoorbeeld over van de VVT naar een ziekenhuis, van de gehandicaptenzorg naar de jeugdzorg of van een ziekenhuis naar een universitair medisch centrum. De bewegingen tussen branches laten bovendien zien hoe sterk de interne arbeidsmarkt van zorg en welzijn met elkaar verweven is.

Nieuw CBS-maatwerk voor het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) brengt deze interne mobiliteit in beeld. De analyse vergelijkt tien branches en gebruikt elf jaarlijkse metingen, van het vierde kwartaal van 2015 tot en met het vierde kwartaal van 2025. Door de jaren te middelen, ligt de nadruk op structurele patronen en niet op schommelingen van jaar tot jaar.

VVT en gehandicaptenzorg leveren per saldo personeel, GGZ en jeugdzorg ontvangen

Er is sprake van interbranchemobiliteit wanneer een werknemer van de ene AZW-branche naar een andere AZW-branche overstapt of wanneer de branche van de hoofdbaan van de
werknemer wijzigt. Het verschil tussen de instroom en de uitstroom noemen we het saldo. Tussen branches loopt dat saldo sterk uiteen.

Figuur 1. Gemiddelde interbranche-instroom, en -uitstroom naar branche, kwartaal 4 2015-2025

De VVT springt het meest in het oog. Gemiddeld vertrekken er per jaarlijkse meting ongeveer 2.870 werknemers meer naar andere branches dan er vanuit andere branches instromen. Dat negatieve saldo is structureel: in negen van de elf onderzochte jaren was de VVT nettoleverancier aan andere branches. Ook de gehandicaptenzorg levert per saldo vaker personeel dan zij ontvangt, met een gemiddeld saldo van ongeveer −880 werknemers en een negatieve balans in acht van de elf jaren.

Aan de andere kant staan vooral de GGZ en de jeugdzorg. Bij de GGZ ligt de instroom gemiddeld ongeveer 1.470 werknemers boven de uitstroom en was het saldo in acht van de elf jaren positief. Jeugdzorg komt gemiddeld uit op ongeveer +1.050 werknemers en was in negen van de elf jaren netto-ontvanger.

Bij de andere branches zijn de gemiddelde saldi kleiner. Toch zien we hier ook structurele patronen. UMC’s hebben bijvoorbeeld een relatief bescheiden gemiddeld saldo van +285, maar waren in tien van de elf jaren netto-ontvanger. Ziekenhuizen laten een ander beeld zien: over de hele periode zijn instroom en uitstroom gemiddeld vrijwel exact in evenwicht en de richting van het saldo wisselt regelmatig.

De omvang van het gemiddelde saldo en de structurele richting vertellen dus niet helemaal hetzelfde. Maar samen laten ze wel zien dat branches verschillende posities innemen binnen de arbeidsmarkt van de sector zorg en welzijn.

Achter het totaalsaldo gaan grote leeftijdsverschillen schuil

Die positie blijkt bovendien sterk samen te hangen met leeftijd. Een branche kan per saldo personeel leveren aan andere branches, zonder dat dit voor iedere leeftijdsgroep afzonderlijk het geval hoeft te zijn.

Figuur 2. Gemiddeld interbranchesaldo naar branche en leeftijd, kwartaal 4 2015–2025

Het duidelijkste voorbeeld is de VVT. Onder werknemers jonger dan 25 jaar bedraagt het gemiddelde saldo ongeveer −2.850. Ook onder 25- tot 35-jarigen is de balans negatief. Daarna verandert het beeld. Onder 35- tot 45-jarigen zijn instroom en uitstroom ongeveer in evenwicht en vanaf 45 jaar is de VVT juist netto-ontvanger. Bij 55-plussers bedraagt het gemiddelde saldo ongeveer +520.

Bij ziekenhuizen zien we bijna het spiegelbeeld. Over alle leeftijden samen zijn ziekenhuizen vrijwel in balans, maar onder werknemers jonger dan 25 jaar bedraagt het saldo ongeveer +1.210. Bij alle oudere leeftijdsgroepen is het saldo negatief. Ook de gehandicaptenzorg heeft een ander leeftijdsprofiel dan de VVT: het grootste negatieve saldo zit daar niet bij de allerjongsten, maar bij 25- tot 35-jarigen. De GGZ ontvangt per saldo vooral werknemers onder de 35 jaar, terwijl jeugdzorg in alle leeftijdsgroepen een positief saldo heeft. Leeftijd legt daarmee patronen bloot die in het totaalcijfer verdwijnen. Dat betekent overigens niet dat we kunnen concluderen dat bijvoorbeeld jonge werknemers vaker van branche wisselen. Daarvoor zouden de aantallen mobiele werknemers moeten worden afgezet tegen het totale aantal werknemers van dezelfde leeftijd in iedere branche. De cijfers laten wel zien welke leeftijdsgroepen bijdragen aan de netto personeelsstroom van en naar een branche.

Eén interne arbeidsmarkt, tien verschillende posities

Een saldo vertelt nog niet waar werknemers vandaan komen en waar zij naartoe gaan. Achter de totalen ligt een netwerk van bewegingen tussen alle tien branches. Juist die onderlinge bewegingen maken zichtbaar hoe sterk de branches met elkaar verweven zijn: uitstroom uit de ene branche is vaak instroom voor een andere. Zo vormen de tien branches samen één interne arbeidsmarkt, waarin iedere branche een eigen positie inneemt.

In de onderstaande interactieve figuur kan voor iedere branche worden bekeken vanuit welke andere branches werknemers instromen en naar welke branches zij vertrekken. De cijfers zijn opnieuw gemiddelden over de elf vierde kwartaal metingen van 2015 tot en met 2025.

Figuur 3. Tien branchekaarten met interbranchemobiliteit

De kaarten maken ook duidelijk waarom een saldo alleen niet genoeg zegt over de hoeveelheid bewegingen. Een branche kan een klein saldo hebben doordat zowel instroom als uitstroom klein zijn, maar ook doordat twee grote stromen elkaar vrijwel opheffen. Ziekenhuizen zijn daarvan een duidelijk voorbeeld. De interne arbeidsmarkt van zorg en welzijn bestaat daarmee niet uit één dominante route. Iedere branche heeft haar eigen combinatie van herkomst- en bestemmingsbranches.

Soms verandert met de leeftijd zelfs de richting

Hoe groot de verschillen naar leeftijd kunnen zijn, wordt bijzonder zichtbaar wanneer we één verbinding uit dat netwerk uitvergroten: die tussen de VVT en ziekenhuizen.

Figuur 4. Gemiddelde mobiliteit tussen VVT en ziekenhuizen naar leeftijd, kwartaal 4 2015–2025

Onder werknemers jonger dan 25 jaar gaan gemiddeld ongeveer 2.840 werknemers vanuit de VVT naar ziekenhuizen, tegenover ongeveer 1.590 in de andere richting. Het nettoverschil bedraagt daarmee ongeveer 1.260 werknemers richting ziekenhuizen. Dat patroon is opvallend structureel: in alle elf onderzochte jaren ging de netto stroom onder werknemers jonger dan 25 jaar van VVT richting ziekenhuizen. Met het oplopen van de leeftijd verdwijnt het verschil. Onder 25- tot 35-jarigen zijn beide richtingen gemiddeld vrijwel in evenwicht. Vanaf 35 jaar draait de balans om. Bij 55-plussers gaan gemiddeld ongeveer 380 werknemers vanuit de VVT naar ziekenhuizen, tegenover ruim 720 werknemers vanuit ziekenhuizen naar de VVT. Het nettoverschil bedraagt ongeveer 340 werknemers richting de VVT. In negen van de elf onderzochte jaren ging de balans bij deze leeftijdsgroep die kant op. Dezelfde verbinding tussen twee branches heeft dus afhankelijk van de leeftijd een ander karakter. Dat laat misschien wel het duidelijkst zien hoeveel informatie verloren gaat wanneer alleen naar totale branchecijfers wordt gekeken.

Verantwoording
De analyse is gebaseerd op een CBS-maatwerkverzoek over interbranchemobiliteit binnen zorg en welzijn. De gemiddelden zijn gebaseerd op elf metingen van het vierde kwartaal, over 2015–2025.

De cijfers meten veranderingen in de branche van de hoofdbaan. Daaronder kan ook administratieve mobiliteit vallen, bijvoorbeeld door wijzigingen in registratie of branche-indeling. Daarom ligt de nadruk op patronen over meerdere jaren en niet op afzonderlijke uitschieters.

Bij uitsplitsingen naar leeftijd worden absolute aantallen gebruikt. Zonder informatie over het totale aantal werknemers per leeftijdsgroep en branche kunnen geen conclusies worden getrokken over de kans dat werknemers van verschillende leeftijden van branche wisselen.

Het beeld van arbeidsmarktmobiliteit wordt completer

Deze analyse vult het beeld van arbeidsmarktmobiliteit in zorg en welzijn verder aan. In een eerdere AZW-longread brachten we de externe arbeidsmarkt in beeld: uit welke bedrijfstakken werknemers de sector instromen en waar zij naartoe vertrekken. Deze analyse kijkt juist naar de bewegingen binnen zorg en welzijn, tussen de verschillende branches.

Dat onderscheid is belangrijk. Een werknemer die de VVT verlaat voor een ziekenhuis telt als uitstroom voor de VVT, maar blijft behouden voor de sector als geheel. Tegelijk is de instroom van de ene branche automatisch uitstroom voor een andere. Juist bij personeelsschaarste maakt dat branches onderling afhankelijk.

De cijfers laten zien dat die bewegingen niet willekeurig zijn. De VVT en gehandicaptenzorg zijn over langere tijd vaker leverancier van personeel aan andere branches, terwijl onder meer de GGZ en jeugdzorg vaker ontvanger zijn. Ook leeftijd hangt samen met de richting van die stromen.

Wie de arbeidsmarkt van één branche wil begrijpen, kan daarom niet alleen naar die branche kijken. De arbeidsmarkten van de verschillende branches binnen zorg en welzijn zijn daarvoor te sterk met elkaar verweven.

Meer lezen?

Op de hoogte blijven?

Krijg als eerste de nieuwste publicaties, uitnodigingen voor AZW-Clubhuisbijeenkomsten en meer verdieping van actuele data binnen zorg en welzijn.