VVT en gehandicaptenzorg leveren per saldo personeel, GGZ en jeugdzorg ontvangen
Er is sprake van interbranchemobiliteit wanneer een werknemer van de ene AZW-branche naar een andere AZW-branche overstapt of wanneer de branche van de hoofdbaan van de
werknemer wijzigt. Het verschil tussen de instroom en de uitstroom noemen we het saldo. Tussen branches loopt dat saldo sterk uiteen.
Figuur 1. Gemiddelde interbranche-instroom, en -uitstroom naar branche, kwartaal 4 2015-2025
De VVT springt het meest in het oog. Gemiddeld vertrekken er per jaarlijkse meting ongeveer 2.870 werknemers meer naar andere branches dan er vanuit andere branches instromen. Dat negatieve saldo is structureel: in negen van de elf onderzochte jaren was de VVT nettoleverancier aan andere branches. Ook de gehandicaptenzorg levert per saldo vaker personeel dan zij ontvangt, met een gemiddeld saldo van ongeveer −880 werknemers en een negatieve balans in acht van de elf jaren.
Aan de andere kant staan vooral de GGZ en de jeugdzorg. Bij de GGZ ligt de instroom gemiddeld ongeveer 1.470 werknemers boven de uitstroom en was het saldo in acht van de elf jaren positief. Jeugdzorg komt gemiddeld uit op ongeveer +1.050 werknemers en was in negen van de elf jaren netto-ontvanger.
Bij de andere branches zijn de gemiddelde saldi kleiner. Toch zien we hier ook structurele patronen. UMC’s hebben bijvoorbeeld een relatief bescheiden gemiddeld saldo van +285, maar waren in tien van de elf jaren netto-ontvanger. Ziekenhuizen laten een ander beeld zien: over de hele periode zijn instroom en uitstroom gemiddeld vrijwel exact in evenwicht en de richting van het saldo wisselt regelmatig.
De omvang van het gemiddelde saldo en de structurele richting vertellen dus niet helemaal hetzelfde. Maar samen laten ze wel zien dat branches verschillende posities innemen binnen de arbeidsmarkt van de sector zorg en welzijn.