De stille dynamiek achter de stabiele deeltijdfactor

8 juli 2026 • Longread

Meer uren werken wordt in zorg en welzijn vaak genoemd als een van de manieren om de druk op de arbeidsmarkt te verlichten. Maar is die beweging ook zichtbaar in de cijfers? Zijn medewerkers in zorg en welzijn de afgelopen jaren gemiddeld meer uren gaan werken?

Een nieuwe maatwerktabel van het CBS laat op sectorniveau een opvallend stabiel beeld zien. Tussen 2019 en 2025 is de gemiddelde deeltijdfactor in zorg en welzijn nauwelijks veranderd. Wie alleen naar dat gemiddelde kijkt, ziet dus weinig beweging. Toch betekent dat niet dat er niets verandert. Achter het stabiele sectorgemiddelde gaan duidelijke verschillen schuil tussen branches, leeftijdsgroepen en urenklassen. Sommige groepen werken gemiddeld meer uren dan andere, en ook de ontwikkeling door de tijd verloopt niet overal hetzelfde.

Deze longread laat zien wat de gemiddelde deeltijdfactor wel en niet vertelt. In de sector lopen verschillende initiatieven om medewerkers te stimuleren meer uren te werken. Tegen die achtergrond is de vraag relevant of die beweging ook zichtbaar wordt in de ontwikkeling van de deeltijdfactor. Wat blijkt? De deeltijdfactor in zorg en welzijn is op hoofdlijnen stabiel, maar onder dat gemiddelde is sprake van stille, geleidelijke dynamiek. Juist die onderliggende verschillen zijn relevant voor beleid, onderzoek en arbeidsmarktstrategieën rond meer uren werken.

De gemiddelde deeltijdfactor verandert nauwelijks

Om de ontwikkeling door de tijd goed te kunnen volgen, hebben we de gemiddelde deeltijdfactor berekend als het gemiddelde van de vier kwartalen per kalenderjaar. Hierdoor worden de lichte schommelingen die tussen afzonderlijke kwartalen optreden uitgemiddeld en ontstaat een beter beeld van de structurele ontwikkeling.

Figuur 1. Gemiddelde deeltijdfactor in zorg en welzijn, jaargemiddelden 2019–2025

Figuur 1 laat zien dat de gemiddelde deeltijdfactor tussen 2019 en 2025 vrijwel onveranderd is gebleven. Dat betekent dat medewerkers in zorg en welzijn gemiddeld ongeveer evenveel uren per week werken als enkele jaren geleden. Daarmee is echter niet het hele verhaal verteld.

De verschillen tussen branches zijn groter dan de veranderingen door de tijd

Hoewel de gemiddelde deeltijdfactor voor de sector als geheel nauwelijks verandert, bestaan er duidelijke verschillen tussen branches. Sommige branches kennen al jarenlang een relatief hoge gemiddelde deeltijdfactor, terwijl deze in andere branches lager ligt.

In 2025 varieert de deeltijdfactor van 0,59 in de verpleging, verzorging en thuiszorg (VVT) tot 0,82 bij de universitair medische centra (UMC’s). Ook de geestelijke gezondheidszorg (0,78), jeugdzorg (0,78) en ziekenhuizen (0,76) kennen een relatief hoge gemiddelde deeltijdfactor, terwijl huisartsen en gezondheidscentra (0,64), kinderopvang (0,66) en de VVT lager uitkomen.

Binnen de meeste branches verandert de gemiddelde deeltijdfactor slechts beperkt. In enkele branches is sprake van een stijging van de gemiddelde deeltijdfactor, zoals in de kinderopvang, waar de gemiddelde deeltijdfactor tussen 2019 en 2025 licht toeneemt van 0,65 naar 0,66. Ook in de gehandicaptenzorg en de categorie Overige Zorg en Welzijn is sprake van een beperkte stijging. Daar staat tegenover dat de gemiddelde deeltijdfactor in de VVT in 2025 lager ligt (0,59) dan in 2019 (0,60).

Figuur 2. Gemiddelde deeltijdfactor per branche, jaargemiddelden 2019–2025

De verschillen tussen branches zijn daarmee groter dan de veranderingen binnen branches door de tijd. Terwijl de gemiddelde deeltijdfactor op sectorniveau al jaren vrijwel gelijk blijft, heeft iedere branche een eigen niveau en een eigen, meestal geleidelijke ontwikkeling.

De deeltijdfactor ontwikkelt zich niet in elke leeftijdsgroep hetzelfde

De gemiddelde deeltijdfactor verschilt duidelijk tussen leeftijdsgroepen. Werknemers tussen 25 en 35 jaar hebben in de periode 2019-2025 de hoogste gemiddelde deeltijdfactor. In 2025 bedraagt deze 0,77. Ook de groepen van 35 tot 45 jaar en 45 tot 55 jaar kennen een relatief hoge gemiddelde deeltijdfactor, die in 2025 uitkomt op 0,72. Deze twee groepen liggen qua gemiddelde deeltijdfactor heel dicht bij elkaar. Jongeren onder de 25 jaar hebben met 0,53 juist de laagste gemiddelde deeltijdfactor.

Figuur 3. Gemiddelde deeltijdfactor naar leeftijdsgroep, jaargemiddelden 2019–2025

De verschillen tussen leeftijdsgroepen zijn groter dan de veranderingen binnen de meeste leeftijdsgroepen in de tijd. Daarnaast is ook de ontwikkeling door de tijd niet voor iedere groep gelijk. Bij werknemers tussen 25 en 55 jaar neemt de gemiddelde deeltijdfactor gedurende de onderzochte periode licht toe. De stijging is het duidelijkst zichtbaar bij de groep van 25 tot 35 jaar, waarvan de gemiddelde deeltijdfactor oploopt van 0,75 in 2019 naar 0,77 in 2025.

Aan de andere kant laat zowel de jongste als de oudste groep werknemers een lichte daling zien. Bij werknemers jonger dan 25 jaar daalt de gemiddelde deeltijdfactor van 0,55 naar 0,53. Bij werknemers van 55 jaar en ouder neemt deze af van 0,68 naar 0,66. De figuur laat daarmee zien dat de ontwikkeling van de gemiddelde deeltijdfactor niet voor alle leeftijdsgroepen hetzelfde verloopt. Hoewel de veranderingen binnen de afzonderlijke groepen beperkt zijn, bewegen de jongste en oudste werknemers zich in een andere richting dan de middengroepen.

Een stabiel gemiddelde betekent niet dat de verdeling onveranderd blijft

Een gemiddelde vat een grote groep werknemers samen in één cijfer. Daardoor blijven verschillen binnen die groep buiten beeld. Wanneer de verdeling van medewerkers over verschillende deeltijdfactoren wordt bekeken, ontstaat een iets genuanceerder beeld. De verdeling over de verschillende urenklassen verandert heel licht, ook al blijft de gemiddelde deeltijdfactor op sectorniveau vrijwel gelijk.

Figuur 4. Verdeling van medewerkers over urenklassen, jaargemiddelden 2019 en 2025

We zien in figuur 4 dat het aandeel in de categorie met het grootste aantal uren (afgerond) met 1%-punt stijgt. De categorie net daaronder (21,6-28,8 uur) neemt toe met 2%-punt. De groep met de kleinste banen blijft constant in omvang, terwijl de groep net daarboven (14,4-21,6 uur) in aandeel afneemt met (afgerond) 2%-punt.

De gemiddelde deeltijdfactor en de verdeling over urenklassen vullen elkaar daarmee aan. Waar figuur 1 liet zien dat het gemiddelde nauwelijks verandert, laat figuur 4 zien dat daarachter toch heel geleidelijke verschuivingen zichtbaar zijn.

Als we nog een stap dieper kijken naar de ontwikkeling van de gemiddelde deeltijdfactor binnen de urenklassen uit figuur 4, zien we ook daar een vrij stabiel beeld. Over een periode van zes jaar is alleen een heel lichte afname zichtbaar in de categorie met de grootste banen en in de categorie met de op een na kleinste banen; in beide gevallen gaat het om -0,01.

Tabel 1. Gemiddelde deeltijdfactor per categorie

Conclusie: Het sectorgemiddelde vertelt niet het hele verhaal

De ontwikkeling van de deeltijdfactor in zorg en welzijn laat zich niet goed samenvatten in één gemiddeld cijfer. Op sectorniveau is de gemiddelde deeltijdfactor tussen 2019 en 2025 opvallend stabiel gebleven. Wie alleen naar dat gemiddelde kijkt, ziet daardoor weinig verandering.

Achter die stabiele ontwikkeling gaan echter verschillen schuil tussen branches en leeftijdsgroepen. Ook de verdeling van medewerkers over verschillende urenklassen verandert licht. Daarmee ontstaat een genuanceerder beeld dan het sectorgemiddelde alleen laat zien.

Deze analyse beschrijft de ontwikkeling van de gemiddelde deeltijdfactor en de verschillen tussen groepen. Op basis van deze gegevens kan niet worden vastgesteld waardoor de waargenomen verschillen ontstaan. Daarvoor is aanvullende informatie nodig.

De belangrijkste conclusie is daarom: de deeltijdfactor in zorg en welzijn verandert gemiddeld genomen nauwelijks, maar achter dat stabiele gemiddelde gaan relevante verschillen schuil.

Bron en verantwoording

Deze analyse is gebaseerd op een maatwerktabel van het CBS die is ontwikkeld in het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW). De tabel bevat gegevens over het aantal werknemers en de gemiddelde deeltijdfactor voor de periode van het eerste kwartaal van 2019 tot en met het vierde kwartaal van 2025. Bij de berekening van de gemiddelde deeltijdfactor zijn alle banen van een werknemer binnen zorg en welzijn samengenomen, overeenkomstig de methodiek van het CBS. Voor deze longread zijn jaargemiddelden gebruikt om de structurele ontwikkeling door de tijd zichtbaar te maken.

Meer informatie en onderliggende tabel

Meer lezen?

Op de hoogte blijven?

Krijg als eerste de nieuwste publicaties, uitnodigingen voor AZW-Clubhuisbijeenkomsten en meer verdieping van actuele data binnen zorg en welzijn.